Achter elk boek zit een verhaal — en achter elke schrijver een mens. Wilkin van de Kamp neemt ons mee in zijn wereld en deelt hoe ideeën ontstaan, groeien en uiteindelijk hun weg naar de jonge lezer vinden.
Eerder schreef u vooral boeken voor volwassenen. Kinderen is een nieuwe doelgroep. Wat maakt dat u deze stap genomen hebt? ‘Je zou kunnen zeggen dat ik terugga naar mijn roots. Na de Pedagogische Academie afgerond te hebben ben ik zestien jaar parttime muziekleraar op verschillende basisscholen geweest en zeven jaar - een dag in de week - muziektherapeut voor mensen met een verstandelijke handicap. In die tijd bedacht ik verhalen voor kinderen, schreven we kinderliedjes en kindermusicals die in Nederland(stalige landen) werden uitgegeven, gezongen en opgevoerd. Eigenlijk keer ik dus weer terug naar waar ik begon.’
Was er een specifiek moment waarop u dacht: dit moet een kinderboek worden? ‘Ik liep al langer met het idee om een kerstverhaal voor kinderen te schrijven. Ik wilde het samen met iemand anders doen, om haar een kans en een podium te geven. Daar kwam het helaas niet van. Op een zondagochtend kon ik vanwege griepverschijnselen niet naar de kerk. Toen dacht ik terug aan dat oude manuscript. Ik printte het uit en heb toen op dezelfde ochtend de verhaallijn uitgeschreven en het daarna uitgewerkt. Afgelopen Kerst werd het
uitgegeven als een kerstverhaal voor jonge en oud:
“Een Kerst om nooit te vergeten.” Tot mijn vreugde werd het een groot succes; vooral omdat ik er zoveel plezier aan beleefd heb.’
Wat doet u als u even geen inspiratie hebt? ‘Dat overkomt elke schrijver. Dan leg ik het aan de kant (ik werk eigenlijk altijd aan meerdere manuscripten tegelijk, die voortdurend in mijn brein ergens rondwarrelen). Het gebeurt nogal eens dat ik ’s morgensvroeg dan een idee heb hoe het verhaal verder mag gaan.’
Hoe bedenkt u namen voor de personages? ‘De namen van de kinderen in “Avonturen met de Bijbel” moeten een Joodse achtergrond hebben. Via Google koos ik uit een overzicht van Joodse namen die van Noam, Miriam en Eli, die in de vijfdelige Noam-serie de hoofdrol spelen.’
In uw kinderboeken brengt u spanning, avonturen en de Bijbelse geschiedenis bij elkaar. Hoe ervaart u het samenbrengen van de creativiteit van u als auteur (fictie) en de vaste lijnen van het Bijbelse verhaal (feit)? ‘In mijn (kinder)boeken volg ik het verhaal zoals we dit in de Bijbel kunnen vinden. Maar ik probeer het zo te vertellen dat mijn lezer(tje)s een AHA-Erlebnis krijgen. In de Noam-serie vinden in elk boek gebeurtenissen plaats die je in de Bijbel makkelijk over het hoofd kunt zien, maar die ik juist gebruik om de kinderen en hun ouders (vergeet niet dat menig ouder ook graag een kinderboek leest) te verrassen. En natuurlijk kun je door verschillende karakters en spannende en verrassende gebeurtenissen de aandacht vasthouden. Mijn lezer(tj)s moeten niet het gevoel krijgen dat ze het verhaal al kennen. Als schrijver doe je je uiterste best om de spanning erin te houden, zodat de bijbelse boodschap zijn doel treft.’
Wat was als kind uw favoriete Bijbelverhaal? ‘Niet specifiek één Bijbelverhaal. Ik was als kind wel gefascineerd door de vele wonderen die in de Bijbel staan. In het bijzonder de wonderen die Jezus heeft gedaan. In deel drie van de Noam-serie (‘Een nieuw avontuur’) gaat het drietal op pad met Filippus en Petrus en zien ze hoe de apostelen in Jezus’ naam wonderen verrichten. Ze maken mee dat zelfs Petrus twijfelt ... en toch doet Jezus door hem een wonder. Ik heb dit juist in het verhaal verwerkt om te
voorkomen dat de apostelen te ver van de kinderen en onszelf af komen te staan.’
Wat hoopt u dat kinderen meenemen uit uw verhalen? ‘Als ik schrijf denk ik niet aan verkoopcijfers. Ik denk aan kinderen. Aan onze eigen kleindochters. Aan klaslokalen. En aan ouders die soms zoeken naar woorden. Als door een van mijn boeken één kind Jezus (beter) leert kennen, dan is het alles al waard. Ik geloof dat theologie begint op schoot, aan de keukentafel en voor het slapengaan.’
Wat is het mooiste dat een kind ooit tegen u heeft gezegd over uw boeken? ‘Ik kreeg een brief van een moeder die schreef dat ze veel spanningen ervoeren rondom hun dochter van negen. Soms was ze weerbarstig, recalcitrant en eigengereid, waardoor het niet altijd prettig was om met haar om te gaan. Moeder schreef dat ze vrijwel iedere avond haar dochter een stukje begon voor te lezen uit mijn boek
‘Hoe God naar je kijkt’ (geen kinderboek, maar wel makkelijk leesbaar). Ze schreef: ‘Wat is het een feestje om samen te ontdekken hoe God naar haar kijkt! Sinds we samen lezen, ik sommige dingen nog verder aan haar uitleg en we samen bidden merken we een verschil. Ze wordt zachter, ontvankelijker, beter te corrigeren, enz. Ik wil je bedanken voor de woorden die je schrijft. Je schrijfstijl is héérlijk!’ Deze brief heb ik digitaal altijd bij me, overal waar ik ga.’