MenuMenu

De Vietnamoorlog: hoe zat het ook alweer?De Vietnamoorlog menu

Teus Boele

Wat was er in de wereld aan de hand ten tijde van de oorlog die wij 'De

Vietnamoorlog' zijn gaan noemen? Wie waren er aan de macht en waar draaide het

om? Ter gelegenheid van de komst van napalmmeisje Kim Phuk naar Alblasserdam,

zetten we een en ander op een rij. Lees in deze bijdrage over de aanloop, de

verschillende fases en de gevolgen voor de verschillende betrokken partijen.




De Vietnamoorlog was een oorlog tussen het op Amerika georiënteerde Zuid-Vietnam en het op de Sovjet-Unie en China gerichte Noord-Vietnam. Deze oorlog, waarvan het napalmmeisje Kim Phuc het bekendste symbool geworden is, duurde van 1 november 1955 tot en met 30 april 1975 en kende een lange aanlooptijd. De Japanse bezetting van de Franse kolonie Vietnam tijdens de Tweede Wereldoorlog was voor de communisten aanleiding een greep naar de macht te doen. Vanaf 1941 organiseerde hun leider Ho Chi Minh de Vietnamese communisten in de Vietminh, een militante organisatie die aanvankelijk gesteund werd door de Amerikanen die namelijk tegen de Japanners vochten. Na de Japanse capitulatie riep Ho Chi Minh op 2 september 1945 de Democratische Republiek Vietnam uit. Het land kreeg echter geen internationale erkenning en uit vrees voor de opkomst van het communisme in Zuid-Oost Azië schaarde Amerika zich achter Frankrijk dat probeerde zijn voormalige kolonie weer in bezit te krijgen. Ho Chi Minh zocht op zijn beurt in zijn strijd steun bij China en de Sovjet-Unie.

Aanloop


Op 7 mei 1954 leed het Franse leger een zware nederlaag in de slag bij Dien Biên Phu. Frankrijk en de Vietminh kwamen daarna een wapenstilstand overeen. In juli 1954 werden de Akkoorden van Genève gesloten waarbij het land tijdelijk in tweeën werd gedeeld: het communistische Noord-Vietnam met als hoofdstad Hanoi en het kapitalistische Zuid-Vietnam met als hoofdstad Saigon. Ook zouden er nationale verkiezingen komen, waarna Vietnam weer tot één land herenigd zou worden. Ho Chi Minh werd de leider van het noordelijke deel en hij was ervan overtuigd dat hij de komende verkiezingen zou gaan winnen. Uit angst voor zo’n communistische overwinning hield Amerika de beloofde verkiezingen tegen en zorgde het ervoor dat hun kandidaat Ngo Dinh Diem in het zuidelijke deel de leiding kreeg. Diens leiderschap was echter zo dictatoriaal, dat er ook in Zuid-Vietnam steeds meer steun kwam voor Ho Chi Minh. Zijn guerrilla’s probeerden in het zuiden te infiltreren door daar de Vietcong op te richten, die vooral bestond uit naar Noord-Vietnam gevluchte Vietminh-strijders uit Zuid-Vietnam. Dit Nationaal Front voor de Bevrijding van Zuid-Vietnam ontwikkelde zich tot dé communistische verzets- en guerrillaorganisatie ten tijde van de Vietnamoorlog die zowel in het noorden als in het zuiden werd gevoerd. De drie belangrijkste oorlogspartijen waren Noord-Vietnam, Zuid-Vietnam en Amerika. Noord-Vietnam werd met wapenleveranties geholpen door China en de Sovjet-Unie (de communistische kant), terwijl Zuid-Vietnam militair met wapens en later ook met troepen gesteund werd door Amerika (de kapitalistische kant).

Fase 1: 1955-1963


De eerste fase van de Vietnamoorlog (1955-1963, de periode onder Diem en Kennedy, die overigens beiden in 1963 werden vermoord) kenmerkte zich door de strijd tussen de Vietcong en Zuid-Vietnamese troepen. De Amerikanen waren in deze jaren wel betrokken bij de oorlog, maar hoofdzakelijk door het sturen van militair materieel en adviseurs en financiële ondersteuning van Zuid-Vietnam. Het Tonkin-incident, waarbij Noord-Vietnamese troepen op 2 augustus 1964 een Amerikaans schip torpedeerden, was voor Amerika echter voldoende aanleiding om zelf militair te gaan ingrijpen in Vietnam. Begin maart 1965 gaf de nieuwe Amerikaanse president Lyndon B. Johnson het startsein voor Operatie Rolling Thunder, een uitermate zwaar luchtoffensief met langdurige bombardementen tegen Noord-Vietnam, waarmee Amerika onvermijdelijk betrokken raakte bij de Vietnamoorlog, die hiermee zijn tweede fase inging.

Fase 2: 1964-1968


Operatie Rolling Thunder had vooral als inzet de positie van de communistische leiders te verzwakken en hen tot onderhandelingen te dwingen. Het was de bedoeling dat Ho Chi Minh binnen een paar weken zou toegeven, maar hij was niet bereid tot overleg. Hij liet zich door de permanente bombardementen niet intimideren, ook omdat Noord-Vietnam met de hulp van China en de Sovjet-Unie intussen een goed luchtafweersysteem had opgezet. Ruim één miljoen ton bommen werd op Noord-Vietnam geworpen, totdat in november 1968 door de groeiende tegenstand in Amerika tegen de oorlog en het onsuccesvolle verloop van de bombardementen aan Operatie Rolling Thunder een einde kwam, hoewel ook de jaren erna de luchtaanvallen gewoon bleven doorgaan. De operatie had het leven gekost aan ongeveer duizend Amerikaanse soldaten en tienduizenden Noord-Vietnamezen en had Amerika bovendien grote financiële verliezen opgeleverd. Ook was het imago van Amerika behoorlijk aangetast door het gebruik van zware chemische wapens zoals napalm, waarvan de World Press Photo met Kim Phuc de bekendste getuige is. Inmiddels bevonden zich eind 1968 zo’n 500.000 Amerikaanse soldaten in Vietnam. Ondanks alle inspanningen wisten de Zuid-Vietnamese en Amerikaanse troepen de op het platteland zeer populaire Vietcong niet onder controle te krijgen. Op 30 januari 1968 lanceerde de Vietcong het beruchte Tet-offensief, waarbij zij met ruim 80.000 soldaten geheel onverwachts en massaal meer dan honderd dorpen en steden in Zuid-Vietnam aanviel. Dit grootschalige offensief duurde tot 23 september 1968. Militair gezien wonnen de Amerikanen de gevechten, maar in politiek en mentaal opzicht betekende dit offensief de nekslag voor Amerika. Aan beide zijden en onder de burgerbevolking vielen er tijdens het Tet-offensief naar schatting 65.000 doden en 61.000 gewonden. Amerikanen zagen de grote gruwelijkheden thuis op hun televisie, waardoor de binnenlandse protestbeweging tegen de Vietnamoorlog aanzienlijk groeide. Ook in Europa en Nederland leidde de oorlog tot grote protestacties. De Vietnamoorlog wordt ook wel ‘de eerste televisieoorlog’ genoemd.

Fase 3: 1969-1975
Onder de nieuwe Amerikaanse president Richard Nixon trad de laatste oorlogsfase in. Op 8 juni 1969 kondigde hij de eerste troepenreductie van 25.000 Amerikaanse militairen aan en eind 1971 was het aantal troepen teruggebracht tot 140.000. Deze actie paste in Nixons beleid van ‘Vietnamisation’: Amerika trekt zijn troepen terug, terwijl Zuid-Vietnam zelf meer verantwoordelijkheid moet nemen en er van alle kanten op vrede aangestuurd moet worden. Intussen gingen in Amerika de betogingen tegen de oorlog onverminderd door en vielen er doden onder de demonstranten. In 1972 maakte Nixon bekend dat zijn minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, in het geheim vredesbesprekingen met Noord-Vietnam had gevoerd die echter op niets waren uitgelopen. Een jaar later werden de onderhandelingen hervat en in januari 1973 kondigde Nixon het einde van de Vietnamoorlog aan. Op 27 januari 1973 werden de Parijse Vredesakkoorden ondertekend. Deze bepaalden dat Noord- en Zuid-Vietnam door middel van vrije verkiezingen herenigd zouden worden en dat alle Amerikaanse troepen binnen zestig dagen het land uit moesten zijn. De Noord-Vietnamese troepen mochten wel in Zuid-Vietnam blijven. Er werd een formeel staakt-het-vuren overeengekomen en op 29 maart 1973 verlieten de laatste Amerikaanse militairen Vietnam. Zuid-Vietnam werd vervolgens door Noord-Vietnam vrij snel onder de voet gelopen. Op 23 april 1975 maakte de nieuwe Amerikaanse president Gerald Ford bekend dat de Vietnamoorlog afgelopen was, wat een week later ook daadwerkelijk het geval was. Op 30 april 1975 kwam er officieel een einde aan de oorlog met de inname van de Zuid-Vietnamese hoofdstad Saigon door Noord-Vietnam. Noord- en Zuid-Vietnam werden vervolgens herenigd en op 2 juli 1976 werd de Socialistische Republiek Vietnam uitgeroepen met als hoofdstad Hanoi. Saigon werd omgedoopt tot Ho Chi Minhstad.

Gevolgen voor Vietnam


Het totaalaantal doden van de Vietnamoorlog - burgers en militairen - wordt geschat op 3,5 tot 4 miljoen, nog afgezien van de miljoenen gewonden. Verder raakten veel Vietnamezen op gruwelijke wijze gewond door het gebruik van chemische middelen door de Amerikanen (zoals Agent Orange, waarmee de oerwouden ontbladerd werden om de guerrilla’s te kunnen ontdekken, en napalm). Een gevolg daarvan was ook dat Vietnamezen die in de met chemische middelen bestookte gebieden woonden, decennialang (klein)kinderen kregen die lichamelijk gehandicapt werden geboren en/of leden aan ernstige soorten van kanker. De chemische middelen hebben het DNA van de bevolking aangetast. Na de val van Zuid-Vietnam ontstond er een grote stroom bootvluchtelingen die bang waren voor het nieuwe regime. Hun Zuid-Vietnamese paspoorten waren niet langer geldig waardoor hen het reizen onmogelijk gemaakt werd.

Gevolgen voor Amerika


Ruim 58.000 Amerikanen sneuvelden of raakten vermist. Amerikaanse Vietnamveteranen kampten met fysieke en psychische problemen. Amerikanen die gewerkt hadden met de bovengenoemde chemische middelen kenden dezelfde gevolgen als de Vietnamezen, dus ook de volgende generaties. Psychisch letsel werd mede veroorzaakt doordat de teruggekeerde militairen weliswaar als helden waren vertrokken, maar niet als zodanig werden binnengehaald, want de publieke opinie was tijdens de oorlog 180 graden gedraaid. Het verliezen van de Vietnamoorlog (en vooral de manier waarop) gaf de Amerikanen het gevoel dat hun macht tanende was. Elke strijd die Amerika na Vietnam aanging werd vergeleken met die oorlog.